Ajax koning van de mat, waterdrager op de beurs

Ajax telt weer helemaal mee in de voetbalwereld, en dat straalt natuurlijk op af op het aandeel. In 2017 kende Ajax ook een opleving toen de finale van de UEFA League werd gehaald. Maar nu lijkt het aandeel wel vleugels te hebben gekregen. Natuurlijk is Ajax een fantastische club. Maar is het ook een goede belegging?

Op 11 mei 1998 was het feest in de Amsterdam ArenA en op Beursplein 5. Voetbalclub Ajax, de trotse bezitter van vier Europacups voor landskampioenen, twee Wereldbekers, een Europacup II en een UEFA Cup, werd een beursgenoteerd bedrijf. Ajax haalde ruim 120 miljoen gulden (bijna 56 miljoen euro) op, maar de beursgang zal voor velen vooral in het geheugen gegrift staan vanwege de aanvaring die de broertjes Frank en Ronald de Boer hadden met de dienstdoende verslaggever van de NOS. Die begon plompverloren over geld tegen de stervoetballers en daar waren ze niet van gediend. De verbale clash maakte de beursgang tenminste nog een beetje leuk, want om nou te zeggen dat het aandeel AFC Ajax N.V. nou zo sprankelt aan het Damrak…

In juli 1998 ging het aandeel de beurs op voor zo’n 12 euro. Het dieptepunt kende de AFC Ajax N.V. in april 2003 toen het aandeel onder de 3,75 euro koerste. In mei 2017 kwam het aandeel, mede door het bereiken van de eindstrijd van de UEFA League weer in de dubbele cijfers en dat weet de club tot nu toe fraai vol te houden. Zo wordt 2019 misschien ook wel een fraai jaar voor de aandeelhouders. Eind april was de YTD in ieder geval net aan 25%. In 2014 werd er 8 eurocent per aandeel uitbetaald. In 2017 was dat zelfs 24 eurocent.

Ajax is een van de 22 Europese voetbalclubs met een beursnotering. Het aandeel hobbelt aardig mee in de index voor lokale fondsen. Om in voetbaltermen te blijven; dat is de derde divisie in de vaderlandse voetbalpiramide.

Wanneer je Ajax als voorbeeld neemt, kun je stellen dat een aandeel in een voetbalclub niet meer is dan een volks- of emotieaandeel. Die situatie kennen de beursgenoteerde clubs in Denemarken ook. Dat land kent veel voetbalclubs met een beursnotering, maar eigenlijk is alleen het aandeel van FC Kopenhagen interessant. Dat komt omdat de club deel uitmaakt van het Deense concern Parken Sport & Entertainment A/S (PS&E). Naast de club baat het bedrijf ook nog het stadion van FCK uit en een vakantieparadijs. Ook heeft het een belang in een concertpromotiebedrijf en een tv-zender.

De constructie van PS&E is wel een interessante. Sport is op deze manier onderdeel van een veel groter verdienmodel. Het Turkse Fenerbahçe doet het ook zo. De club heeft niet alleen een succesvolle voetbaltak. In het basketbal is ‘Fener’ bijvoorbeeld een nog veel grotere Europese speler. De club is een zogeheten omnisportvereniging en is in diverse sporten actief. Net als PS&E heeft het zelf het grote voetbalstadion in beheer, maar daar omheen is een heel dorp ontstaan met een (sport)zwemcomplex, een grote sporthal voor zaalsporten, een bedrijventerrein en een leisurecentrum. De club heeft daar zelf alle touwtjes in handen en verdient er goed aan. Ook bezit het zelf alle eigen merk- en uitzendrechten.

Stoxx Europe Football Index

Er is een speciale index waarin de 22 beursgenoteerde voetbalclubs zijn opgenomen: de Stoxx Europe Football Index. Italië is vertegenwoordigd met Juventus, Lazio Roma en AS Roma. Manchester United en Celtic vertegenwoordigen het Verenigd Koninkrijk. Denemarken levert FC Kopenhagen (via Parken Sport & Entertainment A/S), Silkeborg, Alborg, Aerhus en Bröndby IF. Naast Fenerbahçe levert Turkije Galatasaray, Besiktas en Trabzonspor. Ook Portugal is goed voor drie clubs en dat zijn Benfica, Sporting en FC Porto. Ruch Chorzow uit Polen, Borussia Dortmund, Olympique Lyon, Ajax en Teteks, een laagvlieger uit Macedonië, completeren de index. De laatste jaren gaat het eigenlijk best aardig met de Stoxx Europe Football index. In 2017 was het rendement ongeveer 15%. Een jaar later 11%.

De vraag is wat Ajax eigenlijk nog op de beurs te zoeken heeft. Daarvoor moeten we eerst kijken waarom de club naar de beurs ging. Ajax wilde eind jaren negentig in één klap miljoenen bijeenharken. De club werd daartoe gedwongen door het zogeheten Bosman-arrest. Dat zorgde ervoor dat spelers van wie het contract was afgelopen transfervrij mochten vertrekken. Bovendien zorgde het arrest voor hogere salarissen en transfersommen. Om te kunnen blijven concurreren met de Europese topclubs had Ajax dus dringend een financiële injectie nodig.

Bij de beursgang haalde de club zo’n 56 miljoen euro op. Na enkele magere jaren gaat het de Amsterdammers de laatste jaren financieel weer voor de wind. Het eigen vermogen wordt op zo’n 200 miljoen geschat. Waar heeft Ajax al dat geld voor nodig? Twee theorieën springen eruit. Ajax wil van de beurs, volgens enkele volgers van de club. Een andere stroming houdt het erop dat Ajax de Johan Cruijff ArenA wil kopen. Die gedachte is niet zo gek. Met het stadion in eigen beheer hoeft de club geen huur meer te betalen en kan het zelf activiteiten ontplooien en daaraan verdienen. Denk aan concerten van bijvoorbeeld De Toppers of echte wereldacts. Ook heeft het dan een grotere vinger in de pap in de ontwikkeling van het stadiongebied. Dat Ajax van de beurs wil, is wel degelijk een mogelijkheid. De club heeft zelf ruim driekwart van de eigen aandelen in bezit, maar om het laatste deel terug te kopen, moet de oorlogskas goed gevuld zijn. Een beursexit zou Ajax meer armslag geven in het financieel bestieren van de club.

Soccerex

Jaarlijks wordt er een lijst samengesteld van de rijkste voetbalclubs. Manchester City staat in 2018 op de eerste plek. Dat komt door de steenrijke eigenaar Mansour bin Zayed Al Nahyan, lid van de familie die uitbater is van de Abu Dhabi United Group (ADUG). Van de beursgenoteerde clubs staan alleen Manchester United en Juventus in de top tien. Ajax is daar nog mijlenver van verwijderd, ondanks de goedgevulde kas. De lijst wordt samengesteld door Soccerex, een databedrijf dat gespecialiseerd is in voetbal. Aan de hand van vijf factoren wordt de economische groeipotentie van een voetbalclub bepaald. De hoeveelheid geld die de clubeigenaar kan investeren in spelers telt mee. Net als de transferwaarde van de selectie, de waarde van activa zoals het stadion, de trainingsvelden en ander vastgoed dat in het bezit is van de club. De hoeveelheid cash op de bank en de nettoschuld maken het plaatje compleet.

Een select groepje voetbalclubs wordt steeds rijker. Dat is voor die clubs natuurlijk fantastisch, maar het zorgt wel voor afvlakking in de sport. De grote Europese clubs zinspelen al jaren op een grote Europese competitie waarmee ze nog meer geld kunnen verdienen. De oppositie daartegen groeit. De rijken worden immers nog rijker en voor de kleinere clubs blijft er dan helemaal niets meer over. Veel clubs die zich financieel net onder de grootmachten bevinden, moeten naarstig op zoek naar middelen om de race in ieder geval op financieel gebied vol te kunnen houden. Intussen hebben de rijken het voetbal ook ontdekt. En het gaat allang niet meer om steenrijke Russen of Arabieren. Steeds meer Chinese ondernemingen stappen in het voetbal. In eigen land stuwen ze de clubs op die manier al op naar een hoger plan, maar de Chinezen zijn ook in Europa actief. In Nederland ging het met ADO Den Haag en de Chinezen in 2017 nog mis, maar in de Premier League zijn al een aantal clubs in Chinese handen. De Italiaanse grootmacht AC Milan heeft ook een Chinese eigenaar. De Chinese leider Xi Jinping is voetbalgek en hij heeft het volk beloofd dat China ook in deze tak van sport een grootmacht gaat worden.

In de lijst van Soccerex staat Guangzhou Evergrande al in de top tien. Dat komt overigens mede door de financiële positie van de eigenaren, waaronder Alibaba. Een andere interessante ontwikkeling is dat clubeigenaren meer dan één club (gedeeltelijk) in bezit nemen. Zo heeft Manchester City de City Football Group waarin het clubs uit andere landen of werelddelen acquireert. Red Bull doet hetzelfde en heeft met de filialen in Leipzig en Salzburg twee Europese subtoppers in huis.

Tijdens het afgelopen WK in Rusland deed China niet mee. Toch waren de Chinezen volop vertegenwoordigd. Langs de velden waren veel Chinese reclame-uitingen te zien. Logisch want Alibaba was een van de grotere sponsors van het evenement. Het is te verwachten dat China zich steeds meer op het mondiale voetbalpodium zal laten zien. Op welke manier dat zal gebeuren, is koffiedik kijken. Een topclub als Guangzhou Evergrande zal nooit de status bereiken die Real Madrid of desnoods Ajax in het mondiale voetbal heeft. Daarom moeten de Chinezen iets anders bedenken. Het organiseren van een mondiaal clubkampioenschap bijvoorbeeld. Zo komen de (Europese) topploegen naar China. Dat levert geld en prestige op. De FIFA loopt al warm voor zo’n kampioenschap en de grote clubs ook. Overigens kunnen dan ook de Arabieren aanhaken, want ook uit die hoek bestaat meer dan gemiddelde interesse voor het mondiale voetbal.